Habitat

De dakconstructies

Het meest courante dak bestaat uit twee sterk schuin aflopende hellingen (in de streek tussen 45° et 55°) bedekt met rode dakpannen.

Deze zeer schuine daken bevorderen het snelle wegvloeien van het water, wat best nuttig is bij strodaken en wanneer er geen dakgoten voorzien zijn.
De bouwtraditie behield deze sterke dakhellingen ook nadat de meeste strodaken vervangen waren door dakpannen.

De sterke dakhelling werd soms gemilderd door een oplanger.

De oplanger vermindert de dakhelling aan de basis. Oorspronkelijk was de oplanger een stuk hout dat de helling optrok om het aflopende regenwater niet op het metselwerk te laten stromen.

De puntgevels worden ‘uitspringend’ genoemd wanneer ze boven het dak dat ze omkaderen, uitsteken.
Zo werden de rieten dak beschermd tegen regen en de kracht van de wind. Deze puntgevels hebben soms hun uitspringend gedeelte behouden, ook al werden de strodaken vervangen door dakpannen.

Op het binnenplein van sommige boerderijen ziet men soms uitspringende daken (tot een meter) langs de bijgebouwen.
Hier was het de bedoeling een voetpad te beschermen tegen de regen. Men vindt ze bij de bijgebouwen, maar nooit bij het hoofdgebouw.

Oorspronkelijk hadden de daken enkel openingen via opengewerkte dakpannen (de zogenaamde kattengaten). Hun functie was het verluchten van de kapconstructie.

De effenheid van het dak werd soms onderbroken door een dakvenster dat steunde op een dragende muur. Het liet de verlichting en de toegang toe tot de bovenverdieping van het bijgebouw.

Een sterke helling en effenheid zijn de twee belangrijkste kenmerken van de daken in het Pays des Collines.